Kalil Gibran over ‘onze’ kinderen

tekening bij gedicht kinderen

 

En hij zei:
Je kinderen zijn je kinderen niet.
Zij zijn de zonen en dochters
van ‘s levens hunkering naar zichzelf.
Je brengt hen ter wereld,
maar je bent niet hun oorsprong
En hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe.
Je mag hen je liefde geven,
maar niet je gedachten,
want zij hebben hun eigen gedachten.

Je mag hun lichamen huisvesten,
maar niet hun zielen,
want hun zielen toeven in het huis van morgen,
dat je niet bezoeken kunt,
zelfs niet in je dromen.

Je mag ernaar streven aan hen gelijk te worden,
maar tracht niet hen aan jou gelijk te maken.
Want het leven gaat niet terug,
noch blijft het dralen bij gisteren.

Jullie zijn de bogen, waarmee je kinderen
als levende pijlen
het leven in worden geschoten.
De boogschutter ziet het doel
op het pad van de oneindigheid,
en spant je met zijn kracht
opdat zijn pijlen snel en ver zullen gaan.

Laat het gebogen worden
door de hand van de boogschutter
een vreugde voor je zijn:
want zoals hij de pijl liefheeft om zijn vlucht,
zo heeft hij ook de boog lief
om zijn standvastigheid.

Uit: De Profeet Kahlil Gibran